Spirometrie Testen

Een spirometrie is een functionele test van de longen. De belangrijkste spirometrie test is de geforceerde vitale capaciteit (FVC - Forced Vital Capacity).
Andere spirometrie testen zijn de VC ([langzame] Vitale Capaciteit) en de MVV (Maximum Voluntary Ventilation).

Een spirometrie is geen gemakkelijke test omdat, in tegenstelling tot de meeste andere medische testen, er een actieve handeling wordt verwacht van de patiënt. Er gebeuren dan ook zeer veel fouten bij de uitvoering van de spirometrie.

Forced Vital Capacity

Uitvoering

Een goede voorbereiding is van cruciaal belang bij de uitvoering van de test. Men moet de patiënt duidelijk uitleggen wat men van hem verlangt. Ideaal kan de patiënt al in- en uitademen in de spirometer tijdens deze uitleg en ziet hij op het scherm van de spirometer of de computer reeds de curve in real-time.

Een FVC is een geforceerde expiratie in de spirometer. De patiënt zit rechtop of staat recht en moet gedurende het hele maneuver een rechte rug houden en mag niet voorover buigen. Een neusklem tijdens de test is wenselijk maar niet verplicht. De lippen moet zeer goed rond het mondstuk aansluiten: er mogen geen lekken zijn.

Indien de spirometer het toelaat kan men de patiënt eerst rustig in en uit laten ademen. Als de patiënt en het toestel klaar zijn, ademt de patiënt volledig in en blaast zo snel en krachtig als hij kan alle lucht uit de longen. Soms zal men om de patiënt extra te motiveren tegen hem roepen tijdens de geforceerde expiratie.

Indien mogelijk moet men direct na de volledige expiratie terug een volledige en geforceerde inspiratie doen om de inspiratoire curve te verkrijgen.

Een gezonde patiënt zal minstens 3 seconden geforceerd kunnen uitademen. Patiënten met erge obstructies zullen veel langer kunnen uitademen. Indien minder dan 3 seconden werd uitgeblazen, werd de test niet goed uitgevoerd, gezien de longen niet volledig geledigd werden.

Volgens de normen van de American Thoracic Society moet men minstens 6 seconden uitademen. Dit kan echter zeer moeilijk zijn voor gezonde patiënten.

De resultaten van een spirometrie worden vergeleken met theoretische of voorspelde waarden. Deze worden berekend aan de hand van de lengte, de leeftijd, het geslacht en de etnische afkomst van de patiënt.

Het is belangrijk om minstens 2 testen te laten doen ivm de reproduceerbaarheid van de spirometrie test.

Na een spirometrie test worden 2 curven weergegeven: de volume-tijd curve en de flow-volume curve.

Volume-Tijd Curve

volume tijd curve

Een gezonde patiënt ademt tussen 70 en 90% van de FVC uit in de eerste seconde van de test. Dit punt noemt men de eenseconde waarde (FEV1) en is een zeer belangrijke parameter in de spirometrie.

De verhouding FEV1/VC (Vitale Capaciteit) wordt de Tiffeneau-index genoemd. Omdat de Vitale Capaciteit een test is die nog maar zelden wordt uitgevoerd maakt men tegenwoordig meer gebruik van de 'nieuwe' Tiffeneau: FEV1/FVC.

Na 6 seconden wordt de waarde FEV6 bereikt. De verhouding FEV1/FEV6 wordt tegenwoordig soms gebruikt als alternatief voor de Tiffeneau index.

Flow-Volume Curve

débit-volume

De flow-volume curve heeft de typische vorm zoals afgebeeld hierboven.

Een normale flow-volume curve begint op het snijpunt van de x- en de y-as (debiet of flow = 0 en volume = 0). De curve schiet recht omhoog om een maximum te bereiken na minder dan 100 milliseconden: de peak (expiratory) flow (PEF). De PEF is de grootste flow die de patiënt bereiken kan en is een maatstaf voor het volume in de grootste luchtwegen.

Na de PEF daalt de curve (het debiet daalt) naarmate meer volume wordt uitgeblazen. Na 25%, 50% en 75% van de FVC worden de respectievelijke punten FEF25, FEF50 en FEF75 bereikt. Een andere belangrijke parameter is de FEF2575, die het gemiddelde debiet tussen 25% en 75% van de FVC weergeeft.

Het debiet daalt verder tot de x-as bereikt wordt: flow=0. Dit punt is de FVC: de geforceerde vitale capaciteit is het volledige volume dat de patiënt kan uitblazen.

Het is sterk aan te raden om na de expiratie een volledige en geforceerde inspiratie te laten doen om een gesloten flow-volume curve te krijgen. Indien men dit deel van het maneuver achterwege laat zal men echter toch de test kunnen interpreteren.

De vorm van de flow-volume curve is ook belangrijk: het is een eerste indicatie van de kwaliteit van de test. Een getraind oog ziet meteen of de kwaliteit van de spirometrie test goed is of niet.

Het is belangrijk om te beseffen dat men geen tijdsintervallen kan interpreteren op de flow volume curve. Ter illustratie werd de FEV1 weergegeven: het volume dat in de eerste seconde werd uitgeblazen.

De meest voorkomende pathologie die men met spirometrie zeer vroegtijdig kan opsporen is het obstructief longlijden.

(Trage) Vitale Capaciteit

Deze test lijkt sterk op de FVC, maar de patiënt moet nu traag alle lucht uit de longen blazen (ipv. zo snel mogelijk bij de FVC).

Een verschil in waarden tussen de CV en de FVC wijst op een collaps van de kleine luchtwegen tijdens de geforceerde uitademing en kan wijzen op emfyseem.

vitalecapaciteit

De patiënt doet enkele normale ademcycli alvorens de longen volledig te vullen. Langzaam blaast hij uit zover hij kan tot de longen volledig geledigd zijn. Het verschil tussen het hoogste en het laagste punt op de curve is de Vitale Capaciteit.

Na de volledige expiratie rest er nog steeds wat lucht in de longen, die niet kan uitgeblazen worden. Dit is het residuele volume (RV).

De volledige longcapaciteit bestaat dus uit RV + (F)VC. Met spirometrie is het onmogelijk dit RV te meten: meer gesofistikeerde testen zijn hiervoor nodig.

Maximum Voluntary Ventilation

Bij deze test moet men gedurende 12 seconden volledig en heel snel in- en uitademen in de spirometer.

Deze spirometrie test wordt nog zelden uitgevoerd omdat ze zeer vermoeiend is en soms zelfs gevaarlijk!

Get it on Google Play
rdsm